Het is niet toegestaan om teksten te kopiëren zonder de bron te vermelden
   www.de-vrouwe.info 

voor het gebruik van afbeeldingen is schriftelijke toestemming vereist.

Hier gaat u naar de officiële website van de Stichting Vrouwe van alle Volkeren.


Afdrukken E-mailadres

Appendix III

Brief die de zieneres Ida Peerdeman schreef op 21 juni 1958 aan pater Frehe,
haar leidsman, naar aanleiding van de boodschap van 31 mei 1958.

Beste Pater Frehe,

Het is nu al weer drie weken geleden vandaag, dat ik het grote gebeuren mee mocht maken. Ik geloof dat ik elke week ‘s zaterdags er aan zal denken en de weken zal tellen. Het is me eerder niet mogelijk geweest om een betere, juistere verklaring hiervan weer te geven. Hoe is het mogelijk.
Maar nu vandaag wil ik toch proberen u wat beter er over in te lichten en vooral om er nog eens over te praten en te vertellen. Pater, het was zo iets geweldigs, zonder overdrijving. Toen ik in het begin neerknielde, u weet, toen zag ik niemand, maar toch durf ik beweren, dat er iemand was. Maar niet de Vrouwe.
Maar denk er om, ik zag niets hoor. Het was voor mij alleen maar het gevoel dat er iemand was, die ontzaglijk machtig, groots, zuiver, ja wat al niet meer was. Het is zo moeilijk uit te leggen.
En toch voel ik het als mijn plicht dit te doen om u een juistere blik te geven. Er klonk me toen ik neerknielde een hoge fijne muziek in de oren, de kamer was geheel gevuld van licht. Het straalde zo erg dat ik mijn handen op de borst gevouwen moet hebben en diep voorover heb moeten buigen. Ik durfde en kon er niet in kijken in het begin. Maar ineens heb ik gekeken en kreeg zo’n hemels, bovennatuurlijk gevoel over mij. Dat alles was veel en veel sterker dan verleden jaar. Als ik er aan terugdenk ben ik nog steeds diep ontroerd. En vergeef mij: het is zo moeilijk om je met de gewone dagelijkse dingen bezig te houden. Maar ik doe het toch, want de anderen mogen er niets van merken.

Toen dat eerste door een sluier als het ware werd afgeschermd, stond heel in de verte de Vrouwe. Zij zag er zo vriendelijk en lief uit. Maar ik vond het zo naar dat Zij zo ver weg stond. Zij sprak het eerste gedeelte achter elkaar, terwijl Zij mij aankeek. Ik dacht: als ik dat nu maar onthouden kan. En de Vrouwe begreep me, denk ik, want Zij glimlachte en zei het eerste gedeelte nogmaals achter elkaar voor. Toen knikte ik van ‘ja’ tegen Haar, dat ik het nu wist. Later heb ik, toen alles gebeurd was, het direct opgeschreven, zoals u gezien hebt. Toen richtte de Vrouwe zich op, keek voor zich heen en zei: “Maar ...”, en begon te zeggen: “In alle rust ben Ik gekomen” enz. Maar terwijl Zij dat zei, ging Zij heel langzaam omhoog, steeds dieper en dieper. Pater, als u wist wat dat ogenblik voor mij betekende. Ik voelde: Zij gaat van mij heen. Ik strekte mijn handen uit en zei in mijzelf: Vrouwe, laat mij alstublieft hier niet alleen. Ik begon te huilen als een klein kind. Ik hoop dat u mij niet overdreven vindt, maar het was zo. Ik heb nog nooit zo gehuild. Pater, het was of er iemand die je heel en heel dierbaar was en die je heel erg liefhad, van mij weggerukt werd. Er begon bij mij van binnen iets te scheuren.
O, vindt u het niet gek, ik moet het u vertellen, en kan het ook hopelijk aan u vertellen. Zij ging weg en terwijl Zij weg ging zei Zij: “Luister.” Zij kwam met Haar hoofd zo, alsof Zij zeggen wilde: huil niet, en zei: “Volg het licht.” Toen was Zij weg.
En even stond het licht er nog, maar zoals ik u reeds vertelde: ook dat ging weg. U weet het verloop, hoe ik het zocht en naar de buitendeur ging, omdat daar het licht stond, de trap af en buiten op straat stond, op de hoek het licht zag en dat gevolgd ben. Ik hoorde de auto’s op de rijweg om mij heen suizen, maar het deerde mij niet. Het licht stond aan de overkant op mij te wachten.
Ik volgde het weer en toen kwam ik op de plek aan de Wandelweg bij het, wat wij noemen, theehuisje. Daar op het hele terrein straalde het van licht en ik zocht daar op de grond, want de woorden klonken mij steeds in de oren:
“Volg het licht.” En ineens kwam dan de Stem van omhoog: “Wat zoek je?” De rest weet u. Maar het is mij toch een behoefte het nogmaals te vertellen wat een prachtig gezicht dat was. In een stralende blauwe hemel stond Zij daar, omgeven van twee witte wolken, die de anderen die bij mij stonden niet gezien hebben, geloof ik.
Toen Zij de woorden zei “Dit is de plaats...”, u weet het uit de tekst verder, ging Zij steeds hoger en dieper weg. En ineens kwam er een lichtende wolk over Haar heen en was Zij voor mijn ogen weggetrokken.

Toen kreeg ik toch weer dat heel droevige moment terug. Maar direct stond daar op die plaats, en het leek mij dichter bij als ik er nu over nadenk, die grote Heilige Hostie. Het werd mij niet gezegd hoor, maar ik kreeg dat woord in mij. Pater, als u en anderen dit toch hadden mogen zien, zo iets geweldigs, zo iets groots en overweldigends, wat zou dat heerlijk zijn geweest. Nu denk ik bij het Communie gaan: ben ik wel waardig om zo iets groots te ontvangen? En bij de Consecratie denk ik: waarom niet de bazuinen laten schallen, want eerlijk het is de grootste keizer, de grootste koning, die daar komt verschijnen. Terwijl u en andere geestelijken de woorden uitspreken, weet u niet wat er werkelijk gebeurt. Hij is er met Zijn Godheid en Mensheid. De Mensheid alleen maar in dat stukje brood geloof ik om het ons gemakkelijk te maken, maar de Godheid die komt op datzelfde moment op het altaar, o ik ben er zo diep van overtuigd. En na de 31ste mei 1958 voel ik het elke dag zo dat Christus daar komt met al die heerlijkheid, zoals ik op de Wandelweg die Heilige Hostie zag. Maar helaas, de mensen zien het niet. Dat zal Zijn wil wel zijn. Maar het is jammer. Want heus het is het grote Wonder waar de Vrouwe over sprak.

Pater, ik weet niet hoe ik u dit alles durf te schrijven. Maar ik werd vannacht al aangezet om het te doen. Ik kon niet slapen en kreeg deze gedachten allemaal in mij, nog beter als nu. Ik zit nu maar wat te stuntelen. Maar ik durfde de anderen door mijn opstaan niet storen, anders had ik vannacht u deze brief geschreven. Ik wil u zo graag laten weten hoe mooi en hoe, ja mijn woorden schieten te kort, maar ik hoop dat u mij begrijpt en het niet gek vindt dat ik mij zo laat gaan. Ik zou elke priester wel willen zeggen: weet toch wat u in handen hebt, weest toch blij en verheugd dat u alles hebt opgeofferd want het is niet vergeefs. Geloof me. Waren wij er allemaal maar meer van bewust wat er elke dag onder ons gebeurt: dat grote Wonder. Zeker, wij zijn mensen en dat weet de Heer ook en Hij wil ons geloof ik ook zo hebben, zoals wij zijn; maar wij zouden meer dankbaar zijn aan Hem, wij zouden meer het moment van de Heilige Mis beter beleven, wij zouden verheugd zijn en toch droevig, omdat wij Hem nu ook niet kunnen zien.

Pater, het is zo gek, maar heel stil in mij heb ik een heimwee gekregen om dit alles nog eens terug te mogen zien, om Haar terug te zien en ook dat grote moment wat ik niet kan uitleggen terug te voelen. Maar hoe kan ik dat durven wensen?
Nogmaals, ik kan er niet over uitgepraat en gedacht komen, over die twintig minuten op 31 mei 1958. Eén ding weet ik wel, dat het heengaan van deze aarde heus geen straf voor ons zal zijn. Wat is al dat gedraaf en gesuis om je heen dan ijdel, waar maak je je druk om. En daar wacht je zo iets groots. Wat is de Heer Jezus Christus toch geduldig en goed voor ons. Wat een oneindige liefde moet Hij hebben. Ik weet dat als je van iemand houdt je alles weer direct en spontaan kan vergeven en dat je er alles van kan hebben. Hoe enorm groot moet dan Zijn liefde voor ons zijn. Ik weet het echt niet, maar het is een en al liefde zou ik zeggen. En dat Hij maar elke dag zo op het altaar komt. En dan, zo’n stil misje met niks er omheen, een paar mensen die er nog met hun eigen zaakjes zitten en maar vragen, vragen om tijdelijke dingen. En Hij verschijnt daar midden onder ons. En wij voelen het niet eens als zo iets geweldigs. Een rinkel van de belletjes en wij stappen er weer over heen. Weg is alles. En wij zitten weer met ons dagelijks brood. Het moest met veel meer eerbied en werkelijk laat het met wat menselijk vertoon gaan, laat de bazuinen schallen, zoals ik meende het te horen in onze kamer met daarachterop prachtige hemelse muziek. Wij maken zoveel lawaai met de jazz, maar voor Hem is geen aankomst, zoals bij een koningin of koning nodig. Wat vreemd pater, dat ik u dit alles schrijf, maar het vliegt me uit de pen. Nogmaals, vind het niet raar. Maar ik ben opgelucht dit alles zo aan u te durven schrijven. En nu houd ik op, want ik heb u al genoeg bezig gehouden met mijn lange brief.

De hartelijke groeten van mij.

Ida.

p.s. Eén ding wil ik nog vertellen. Toen ik de Vrouwe steeds hoger en dieper zag wegtrekken, kwam mij een ding nog in de gedachte: wat gelukkig, Zij neemt ons mee. Want Zij ging precies zo weg met schapen, wereldbol en kruis, zoals ik Haar altijd zag.


Bron: De Boodschappen van de Vrouwe van alle Volkeren,
herziene uitgave, Amsterdam 2002

 
 
  • Deutsch (DE-CH-AT)
  • Italian - Italy
  • Nederlands - nl-NL
  • Español(Spanish Formal International)
  • French (Fr)
  • English (United Kingdom)