Het is niet toegestaan om teksten te kopiëren zonder de bron te vermelden
   www.de-vrouwe.info 

voor het gebruik van afbeeldingen is schriftelijke toestemming vereist.

Hier gaat u naar de officiële website van de Stichting Vrouwe van alle Volkeren.


Afdrukken E-mailadres

Appendix II

Brief die de zieneres Ida Peerdeman schreef aan pater Frehe, haar leidsman,
naar aanleiding van de boodschap van 31 mei 1957.

2 juni 1957

Aan mijn leidsman.

Mag ik U a.u.b. even vertellen dat ik niet slapen kan en steeds maar moet denken aan die mooie boodschap van 31 Mei. Ik ben zo bang dat U me sentimenteel vindt, maar ik moet en wil er over praten. Steeds weer opnieuw zou ik het aan iedereen vertellen hoe mooi alles was. Dit zal ik mijn hele leven niet meer vergeten al word ik nog zo oud, wat ik nu niet meer hoop. Ik hechtte zo aan het leven en kon kwaad worden als iemand zei dat ze graag dood ging. Dat vond ik abnormaal.
Maar nu. . . ik zie er helemaal niet meer tegenop en zou het wel aan alle mensen willen vertellen en toe roepen: wees niet meer bang om dood te gaan, er wacht U allen iets zo moois, zo reins, zo heerlijk, ‘t is niet te beschrijven. Zeg niet: dat is goedkoop zeggen, want ik kan me nu de Apostel Paulus voorstellen die gezegd heeft: “geen oog heeft gezien en geen oor heeft gehoord.” Geloof me a.u.b., het was “hemels” in een woord, wat de Vrouwe van alle volkeren maar even heeft laten zien toen Zij zei: “Heus, het is de moeite waard om de wereld te verlaten. Gij moet toch allen komen in de hemel.” Toen was het alsof Zij een sluier weghaalde, terwijl Ze zelf in een oneindige diepte staat. Ze liet me die heerlijkheid even zien en toen ging de sluier er weer voor. Maar dat moment is voldoende geweest om U en alle mensen te zeggen: laten we proberen daar te komen, met Gods hulp.

Ik kan er niet over uitgedacht komen maar ben zó bang dat ik straks weer - doordat alles weer gewoon gaat draaien – niet dit meer zo goed zal kunnen vertellen. Je moet dan weer met beide benen op de grond staan. U weet, familieleven, meeleven met allen, belangstellen in hun dingen. Naar N., daar alle zorg aan besteden en uitgaan, wandelen enz., die eist dan volkomen mijn concentratie. Verder thuis, radio, televisie. Ik ben dol geweest op film en nu dat ik toneelstukken zie, vind ik dat fijn. Maar ik moet U zeggen, het doet me nu niets meer. Maar straks? Je moet toch doorleven en voor anderen doen alsof alles weer gewoon is. En daarom wil ik U dit alles deze nacht schrijven.

Het begon al zo mooi. Ik zie altijd het licht komen eerst. Maar ook dit keer was het licht heel anders. En het was net alsof ik daarin een lichte gestalte mee zag zweven. Ik moet U wel vertellen dat ik me doodschrok hoor, toen dat licht kwam. Ik zat n.l. met dat gewetensconflict, U te gehoorzamen en de stem van de Vrouwe die mij bevolen had, Haar zin te doen die dag. Ze ging, het licht, heel langzaam langs het altaar en bij het Jozef-altaar was het net of het even stil stond. Ik vond dat zo mooi. Ook was het eigenaardig dit keer dat de Vrouwe af en toe zich verplaatste. Ze stond ook meer naar voren als de eerste keer in de kapel. Ze kwam af en toe zo dicht bij me dat ik een keer de bekoring kreeg om Haar aan te raken, maar durfde niet. Dat was toen Ze het over dat para had. ‘t Was net alsof Ze me goed liet zien dat Ze echt een mens was, zoals U en ik, maar dan natuurlijk is Zij een en al reinheid en mooi. Maar ik hoop dat U me begrijpt. Haar lichaam is ook doorzichtig zou ik bijna zeggen. Ze was zo mooi... en Haar stem klonk zo duidelijk en af en toe zo droevig keek Ze en dan weer meewarig en medelijdend, net als een mens.

Toen pater K. daar kwam storen bij de mensen, hij wilde de mensen toch weg hebben, richtte de Vrouwe zich helemaal op, glimlachte tegen mij, alsof Ze wilde zeggen: laat ze daar maar even ruzie maken, wij gaan door. Ze trok ook zo’n, als ik het zo oneerbiedig uit mag drukken - een guitig gezicht erbij. En de Vrouwe begon toen veel harder en duidelijker te spreken, zodat ik Haar dat nagedaan schijn te hebben. Dit vertelden mij later een paar Heren die erbij waren. Beste Pater, ik ben er vol van, neem me a.u.b. niet kwalijk en vind me niet overdreven.
‘t Was zo eigenaardig, toen Ze begon te zeggen: “bid het gebed”, begon Ze zelf het te bidden, heel zacht en zeer devoot. O Pater, als de mensen en priesters vooral, dat hadden kunnen en mogen zien, dat was zo mooi, hoe innig en mooi Ze bad. Maar het was typisch, Ze zei: “Moge de Vrouwe van alle volkeren, die eens Maria was, Uw voorspreekster zijn. Amen.” Ik hoorde Haar dat woordje Uw zeggen, in plaats van onze en werd daardoor schijnbaar in de war gebracht. Ik zelf ben er heel zeker van dat ik het na zei, maar een paar omstanders beweerden dit niet gehoord te hebben. Het kan zijn omdat ik het heel zacht heb moeten bidden. Ze konden me daarbij bijna niet verstaan, vertelden ze. Dat Ze zei “Uw voorspreekster” kwam Ze met Haar hoofd naar voren en keek me heel diep aan. Vreemd niet?

En dat moet ik U ook nog vertellen. Als de Vrouwe “Heer Jezus Christus” zegt. . . dat is zo mooi. . . dan buigt Ze zo eenvoudig en innig kan ik wel zeggen Haar hoofd, ook als Ze het over “de Heer” heeft. Je wordt er diep ontroerd van als je dat ziet. En dan krijg je het gevoel dat “de Heer” iets geweldigs, machtigs is. En hoe nederig de Vrouwe is, als Ze het over Hem heeft. Wat zijn wij dan slordig in ons bidden enz. Ik zal proberen steeds beter te leren bidden en vraag dat ook steeds. Vooral met aandacht, want het is een belediging om er zo slordig overheen te gaan. Wat moet “de Heer” toch een geduld met ons hebben.

Toen de Vrouwe het woord “Parakleet” uitsprak, dacht ik aan een kleed. Ik dacht, wat is dat nu, een kleed dat para is? En toen Ze begon van: “Hij is het zout, Hij is het water” enz. wist ik er geen eind aan en dacht: dat is toch wel raar. Ik schudde mijn hoofd maar tegen de Vrouwe en heb een gezicht moeten trekken dat ik het niet begreep (ook dit hebben omstanders gezien). Ik wilde Haar dit duidelijk maken en kon Haar toch niet in de rede vallen en zeggen dat ik er nu niets, maar dan ook niets meer van begreep. Maar ineens glimlachte de Vrouwe en trok een komisch gezicht tegen mij en maakte een beweging met haar handen, naar de verte - omstanders - maar het leek me meer naar de verte, terwijl Ze zei: gij weet wat de Vrouwe bedoelt.”

Maar, Pater, dat Ze zei: “Hij is het zout” enz. dat was zo prachtig om te zien, ik ben jammer genoeg niet in staat dit alles weer te geven. Had ik de macht maar om te schrijven. Maar U moet het maar met mijn onbeholpen uitleg doen en ik hoop dat U het niet raar vindt. Ook dat gedeelte van “vrije wil” dat was ook zo eigenaardig. Toen de Vrouwe zei: “Hij heeft de Vrouwe v.a.V. doorstraald met Zijn kracht” enz. was het alsof het licht wat uit Haar handen straalt en Haar omgeeft ineens veel feller werd. Het was net alsof even een koplamp (vergeef me de oneerbiedige uitdrukking daarvoor, maar ik kan het niet anders uitleggen) door Haar heen kwam. Toen Zij zei: “Verspreid dan het gebed” enz. werd Ze “dwingender” ik kan het niet anders uitleggen.

Als Ze zegt “wees niet bevreesd”, dat vind ik zo fijn van Haar, ik zeg nooit iets daarover tegen Haar, maar Ze schijnt dat heel goed te weten, dat ik een bange haas altijd ben en ik de laatste tijd (vergeef het me, het is niet mooi van mij) als de dood zo bang was voor U. Maar nu niet meer, na deze boodschap is die angst weg.
Wie me ook aanvalt, ik zal ze staan. Ja, Pater, dat zeg ik nu nog, ik hoop dat die kracht me a.u.b. niet meer ontnomen wordt.

Ik wil U nog vertellen dat, toen Ze zich verplaatste, ook de schapen achter Haar aan gingen. Ik zie die schapen echt zoals op een weiland. De dikke wol ligt erop. Het is gewoon een kudde schapen, een leuk gezicht dat gewemel om Haar heen. Het kruis staat altijd achter Haar.

Pater, het is voor U allen niet te geloven en wat heb ik gebeden het laatste jaar, dat de Vrouwe U allen het toch een keertje zo laat zien, zoals ik Haar mag zien, maar helaas, het is weer niet gebeurd. Ik kan er ook niets aan doen. Ze heeft me bevolen het alles de Bisschop te zeggen. Ook aan de Heilige Vader, maar toen dacht ik: Vrouwe, hoe kunt U zoiets zeggen, U weet toch maar al te goed dat dat nooit gebeurt. Dat gaat dan als een flits door je hoofd. Want het is eigenaardig, maar m’n gedachten werken evengoed door. Ik reageer gewoon intussen alsof ik met iemand aan het spreken ben. U weet, dan denk je ook intussen, b.v. hoe kan dat nou of zoiets. En dat is bij de boodschappen ook. Ook hoorde ik dat tumult daar achter mij heel goed. Maar het is typisch, Pater, het raakt me niet en brengt me niet in de war. Dan is het of je werkelijk met de Vrouwe een bent en alleen met Haar.

Van alle boodschappen geloof ik dat deze me het meest gepakt heeft en altijd zal bijblijven. U moet het niet raar van me vinden, maar ik ben - plat uitgedrukt - in de zevende hemel. Ik kan U wel zeggen, toen die sluier weggehaald werd, was ik in een heel andere soort toestand. Een toestand zo verheerlijkt, mag ik het zeggen? “hemels”. Vindt U me a.u.b. niet arrogant of zoiets. Het is de eerlijke waarheid. Ik kan er niet over uitgepraat komen en nogmaals ik zou het iedereen willen vertellen.

Het laatste was ook zo mooi. Toen Ze het had over dat stukje brood enz. Pater, dat hadden de priesters moeten zien. Wat jammer. Ik krijg nu een ontzettende hoogachting voor ze. Niet dat ik dat niet had hoor, maar U begrijpt me wel. Wat mag U blij zijn, priester te zijn. Heb er maar nooit geen spijt van. Het offer is het waard.
Ik zou zo graag willen weten, hoe kan ik me nu nog een beetje nuttig maken? Ik wil wat doen. Voordat de Vrouwe heenging, was het zo mooi, Ze keek me zo lief aan. Beter kan ik het niet uitdrukken en toch kreeg ik een ontzettende weemoed over me en dacht nu laat Ze me weer alleen. Maar dat mag ik eigenlijk niet zeggen. Maar U weet niet wat ik de laatste tijd heb doorgemaakt. Die verlatenheid en spanning het was bijna niet meer uit te houden.

Dan dat gewetensconflict op de dag zelf. Ik was bang dat de Vrouwe en U me laf zou vinden en U me ongehoorzaam, wat moest ik doen. Ik heb maar gezegd: “Vrouwe, ik zal nu doen wat U vraagt, maar ik weet dat het ongehoorzaam is.” Zelfs de laatste minuten voordat ik de kerk inging stond ik nog in doodsangst, wel doen, niet doen. G. zei: “Vooruit, niet zeuren, we gaan terug naar huis, dat heen en weer gezeur van jou, wel de kerk in en niet.” En toen weet ik niet wat het was, er kwam als het ware een soort wind of kracht achter mij en ik stond op de trappen van de kerk voor ik het wist. Even nog zei ik: “gaan jullie a.u.b. eerst.” Ze deden dat en ik naar binnen. Toen heb ik gebeden, samen met de mensen en ik zei maar steeds: “Vrouwe nu heb ik gedaan wat U wilde vandaag, help me nu a.u.b. en geef deze mensen die hier zo vurig bidden toch a.u.b. iets. Ik weet niet wat, laat U a.u.b. aan hun zien of zoiets, maar doe a.u.b. wat voor ze. Het was stichtend om te zien en horen hoe devoot de mensen lagen te bidden, ik werd er ontroerd van.

Ik vraag U, mag ik nu, als ik in de gelegenheid ben, donderdags de rozenkrans mee gaan bidden of voorbidden? Met het gebed van Haar, tussen elk tientje? Ik was er zo door gesticht, toen ik die mensen hoorde. Wat zal de Vrouwe mij toch een lafaard vinden, dat ik zo braaf maar ja en amen zeg altijd als U me iets bevolen hebt. Neemt U het me a.u.b. niet kwalijk en beschouw dit als niet gezegd. Ik heb er spijt van. Maar ik dacht dan dikwijls later, wat ben ik weer slap en bang. Moet ik toch niet meer Haar zin doen? Nogmaals neem het me niet kwalijk.

Wat kan ik nog meer van Haar vertellen? Ik wil dat U zo veel mogelijk weet over alles ziet u. En ben maar bang dat ik later wat zal vergeten. Daarom is het misschien wel wat uitgebreid. Ik hoop niet dat U het erg vindt. Op het ogenblik interesseert niets van de wereld me meer, maar dat zal natuurlijk weer veranderen, je bent maar een “klein mensje” hoor. Maar ik ben toch blij, dat ik U dit alles op papier gezet heb. Ik zal dit alles nooit meer vergeten. Wat had ik dit alles graag onze Bisschop persoonlijk verteld, want dat papier is zo koud.
Zo iets moois kan je eigenlijk niet op papier mooi maken. Ik ben maar bang dat ik het niet goed heb weergegeven, maar hoop dat de Vrouwe van alle volkeren nu over mij tevreden is.

Ik zal blijven vechten voor Haar zaak en blijven bidden, beter hoop ik en vuriger dan ooit, dat Haar zaak spoedig een goed einde mag krijgen. Het kan niet anders, Zij heeft het gezegd. Maar U weet, we hebben met mensen te doen helaas. Kon ik hun maar overtuigen en liet de Vrouwe ze maar alles zien, dan zouden ze Haar zo dankbaar zijn. Maar helaas dat ligt niet in onze handen, maar in de Hare.

O ja, dat moet ik nog vlug even vertellen: toen de Vrouwe het had over “het wonder van elke dag” dat was zo prachtig, maar toen Ze zei: “neen volkeren, niet een gedachte”, werd Ze (mag ik het zo oneerbiedig uitdrukken?) heftig. Het was alsof Ze protesteerde tegen iets in de verte. Want Ze keek, alsof Ze over een mensenmassa heen keek. Dat was zo mooi.

Maar ik houd nu op, want U zult wel moe van me worden. Ik heb dit alles naar waarheid verteld en ben bereid hiervoor en hierover een eed af te leggen en blijf vechten en bidden voor Haar eer en titel, die de Heer, zoals Ze zelf zegt, Haar zo graag in de wereld geeft. Moge de Vrouwe van alle volkeren dan onze voorspreekster zijn.

Ida.

Bron: De Boodschappen van de Vrouwe van alle Volkeren,
herziene uitgave, Amsterdam 2002

 
 
  • Deutsch (DE-CH-AT)
  • Italian - Italy
  • Nederlands - nl-NL
  • Español(Spanish Formal International)
  • French (Fr)
  • English (United Kingdom)